Ontwikkeling van de neus en de neusholte

   

De vorming van de neus en de neusholte kan niet los worden gezien van de ontwikkeling van het aangezicht en het gehemelte. Deze onderwerpen zijn reeds aan de orde gekomen tijdens het blok 'Ademhaling', maar worden hier voor de volledigheid in het kort herhaald.
30 dagen
35 dagen
innnervatiepatroon
De neusholte ontstaat tezamen met de mondholte uit het embryonale mondveld (het stomodeum). Al vroeg in de ontwikkeling raakt de eerste kieuwboog betrokken bij de verdere differentiatie van dit mondveld. De voordarm is op dit moment nog niet doorgebroken naar de buitenwereld en de bodem van het stomodeum, de membrana buccopharyngea vormt de scheiding tussen de buitenwereld en de voordarm. Het mondveld gaat een stukje buitenwereld omsluiten: de toekomstige neusholte en de toekomstige mondholte. Vanaf de eerste kieuwboog groeien aan het eind van de vierde week aan beide zijden van het hoofd een processus maxillaris en een processus mandibularis naar mediaal.
7 weken
10 weken
animatie
Er bevinden zich nu, inclusief een ongepaarde zwelling die vanaf het toekomstige voorhoofd naar caudaal groeit (de processus frontalis), vijf snelgroeiende mesenchymale groeiwallen rondom het stomodeum. Verschillen in groeisnelheid zorgen ervoor dat de groeiwallen over het mondveld heengroeien. De slijmvliezen van de neus- en mondholte zijn dus van ectodermale oorsprong! De grens tussen de mondholte en de voordarm, dat wil zeggen de plaats waar zich de membrana buccopharyngea heeft bevonden, ligt ter hoogte van de voorste gehemelteboog en de sulcus terminalis van de tong. De grens tussen de neusholte en de nasopharynx ligt ter hoogte van de choanen. Pas tijdens de vierde week van de ontwikkeling gaat de membrana buccopharyngea verdwijnen. Het gehemelte, dat later ontwikkelt, vormt de definitieve scheiding tussen de neusholte en de mondholte
Uit het ectoderm van het hoofd ontwikkelt zich craniaal van het mondveld reeds vroeg een gepaarde verdikking: de reukplacode. Gedurende de vijfde week vormen zich twee snelgroeiende richels als een boog om deze placode waardoor de placode zelf als het ware in de diepte wegzinkt. Deze richels worden rechts en links de processus nasalis medialis en de processus nasalis lateralis genoemd. Caudaal komen beide richels bij elkaar en vergroeien. Tussen de richels in ontstaat op deze wijze een echte reukgroeve die doorbreekt naar de primitieve mondholte. De processus maxillaris fuseert met de processus nasalis medialis en vormt de bovenlip.
De olfactoire receptorcellen ontwikkelen zich uit voorlopercellen die oorspronkelijk liggen in de rand van de reukplacode.