Oogleden, conjunctivaalzak en traanwegen

.
Van buiten naar binnen worden de volgende structuren aangetroffen in de palpebrae (de oogleden): de huid en het subcutane bindweefsel, vezels van de m. orbicularis oculi, het septum orbitale en de tarsus, de tarsale klieren en de conjunctiva.
Het palpebrale gedeelte van de m. orbicularis oculi bestaat uit dunne, bleke spiervezels. De tarsi zijn dunne, lange platen van stevig bindweefsel die zijn gelegen in het bovenste en onderste ooglid. Mediaal en lateraal zijn zij met bindweefsel verbonden aan de orbita. De tarsus van het bovenste ooglid is verbonden met het dak van de orbita door een bindweefsellaag, het septum orbitale. De tarsus van het onderste ooglid is op identieke wijze verbonden met de bodem van de orbita. De tarsus van het bovenste ooglid is ongeveer 25 mm lang en 10 mm hoog. De aponeurose van de m. levator palpebrae superioris hecht vast aan de voorzijde van de tarsus van het bovenste ooglid.
 
De tarsi verlenen stevigheid aan de oogleden. In de bindweefselplaten ingebed vindt men de tarsale klieren. Deze bezitten afvoerbuisjes naar de vrije rand van het ooglid. De haren van de wimpers zijn ingeplant in de vrije randen van de oogleden.
 
De conjunctiva is de slijmvliesbekleding van de binnenzijde van de oogleden en van de buitenzijde van de bulbus oculi. Ze is van oorsprong de ectodermale bekleding van de oogbol zoals die aanwezig is na de afsnoering van het lensblaasje.
De conjunctiva bulbi is wit en bevindt zich deels op de oogbol. De conjunctiva palpebralis is rood vanwege de vele bloedvaten en bevindt zich voor het grootste gedeelte aan de binnenzijde van de oogleden. De ruimte tussen de bovenste en onderste oogleden en de bulbus oculi heet de conjunctivaalzak. De fornix superior van de conjunctivaalzak wordt begrensd door rode en witte conjunctiva (respectievelijk op de achterzijde van het bovenste ooglid en op de voorzijde van het oog). De fornix inferior wordt begrensd door de rode conjunctiva van het onderste ooglid en de witte conjunctiva van de bulbus oculi.
Het traanapparaat bestaat uit de traanklier en de traanwegen. De glandula lacrimalis (traanklier) bevindt zich hoog-temporaal in de orbita. De klier bezit een aantal afvoergangen die uitmonden in de fornix superior van de conjunctivaalzak. Traanvocht dat wordt afgegeven spoelt vervolgens over het oppervlak van het oog. In de mediale ooghoek bevinden zich twee openingen, de puncta lacrimalia, die elk via een buisje (een canaliculus lacrimalis) in verbinding staan met de saccus lacrimalis. De saccus lacrimalis bevindt zich in een groeve in het os lacrimale. Via de ductus nasolacrimales (de traangangen; één voor elk oog) wordt het traanvocht vervolgens afgevoerd naar de meatus nasi inferior van de neusholte (zie blok Ademhaling).